Belgische wetgeving > KB Varkenshouderij >
     Varkensstallen

HOOFDSTUK II - Inrichting en uitrusting van de varkensstallen

Art. 2. Alle, na de inwerkingtreding van dit besluit, nieuw gebouwde of verbouwde bedrijven, evenals de bedrijven die na die datum voor het eerst in gebruik genomen worden maar met uitzondering van de bedrijven met minder dan vijf zeugen en hun biggen, dienen ten minste te voldoen aan volgende eisen:
Per in groep gehouden gespeend varken of gebruiksvarken dienen de stallen een vrije vloeroppervlakte te voorzien van ten minste:
0,15 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht van ten hoogste 10 kg;
0,20 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht tussen 10 en 20 kg;
0,30 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht tussen 20 en 30 kg;
0,40 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht tussen 30 en 50 kg;
0,55 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht tussen 50 en 85 kg;
0,65 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht tussen 85 en 110 kg;
1,00 m2 voor varkens met een gemiddeld gewicht van meer dan 110 kg.
Hogergenoemde minimumnormen gelden vanaf 1 januari 1998 voor alle bedrijven.

Art. 3. De materialen gebruikt voor de bouw van stallen, boxen en uitrusting waarmee de varkens in aanraking kunnen komen, mogen niet schadelijk zijn voor de varkens en moeten grondig gereinigd en ontsmet kunnen worden. De varkens mogen er zich niet kunnen aan kwetsen.

Art. 4. De stallen moeten zodanig gebouwd en ingericht zijn dat elk varken:
- zonder problemen kan liggen, rusten en opstaan;
- over een reine plaats kan beschikken om te rusten;
- andere varkens kan zien.

Art. 5. De vloeren van de hokken moeten een stevige, stabiele en stroeve oppervlakte vormen maar zonder uitsteeksels, om te vermijden dat de varkens zich kwetsen.
De vloeren moeten aangepast zijn aan het gewicht en de grootte van de varkens.
De ligruimte moet behoorlijk gedraineerd, zindelijk en comfortabel zijn. Eventueel strooisel mag niet schadelijk zijn voor de dieren.

Art. 6. Aanbindsystemen moeten zo ontworpen zijn dat de varkens de bewegingen vermeld in artikel 4 kunnen uitvoeren en dat de kans op wurging en verwonding vermeden wordt. De aanbindsystemen moeten regelmatig worden geïnspecteerd en indien nodig worden versteld opdat ze geen verwondingen veroorzaken.

Art. 7. § 1. Met ingang van 1 januari 1996 is het verboden systemen voor het aanbinden van zeugen te bouwen of in te richten.
§ 2. Het aanbinden van zeugen aan de nek is verboden vanaf 1 januari 2001.
Elk aanbinden van zeugen is verboden vanaf 1 januari 2006.

Art. 8. Voeder- en drinkinstallaties moeten zo ontworpen, gebouwd, geplaatst en onderhouden worden dat het risico op verontreiniging van voeder of water wordt beperkt.

Art. 9. § 1. Door middel van isolatie, verwarming en ventilatie van het gebouw moet ervoor worden gezorgd dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties binnen zodanige grenzen worden gehouden dat zij niet schadelijk zijn voor de varkens.
§ 2. Bij gebruik van kunstmatige ventilatie moet voor een noodvoorziening worden gezorgd, zodat er, wanneer het systeem uitvalt, toch voldoende verse lucht wordt aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van de varkens veilig te stellen, en dient een alarmsysteem aanwezig te zijn om de veehouder te waarschuwen wanneer het systeem uitvalt. Het alarmsysteem dient regelmatig te worden getest.
§ 3. Alle automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de varkens, moet ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd worden. Defecten moeten onmiddellijk worden hersteld of indien zulks niet mogelijk is, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de gezondheid en het welzijn van de varkens te beschermen totdat het defect is hersteld, met name door de toepassing van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat.
§ 4. Elektrische leidingen en apparaten moeten worden geïnstalleerd en onderhouden worden overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend worden verklaard.

Art. 10. De varkens mogen niet voortdurend in het duister gehouden worden. Daartoe moet er voor passend dag- of kunstlicht gezorgd worden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van kunstlicht, dan moet dit tenminste zolang branden als er normaliter tussen 9 u. en 17 u. daglicht beschikbaar is. Er moet een vast of verplaatsbare verlichtingsbron van voldoende sterkte aanwezig zijn om de varkens te allen tijde te kunnen inspecteren.

Art. 11. Varkens die buiten gehouden worden, moeten beschikken over een beschutting tegen ongunstige weersomstandigheden.

Last update: 01/11/2006