Belgische wetgeving > KB Varkenshouderij >
     Verzorging varkens

HOOFDSTUK III - Verzorging van de varkens

Art. 12. Voor de verzorging van de varkens moet voldoende en bekwaam personeel ter beschikking zijn.

Art. 13. De eigenaar of houder moet alle in een stal gehouden varkens tenminste eenmaal per dag inspecteren. Zieke of gewonde varkens moeten onmiddellijk worden verzorgd en zo nodig kunnen worden afgezonderd in adequate lokalen die voorzien zijn van comfortabel droog strooisel. Wanneer de varkens niet reageren op de door de veehouder verstrekte zorgen, moet zo spoedig mogelijk een dierenarts worden geraadpleegd. Indien gedrags- of ziekteproblemen te wijten zijn aan omgevingsfactoren in de stal, moeten deze worden verholpen en alleszins voordat er andere varkens in de stal ondergebracht worden.

Art. 14. § 1. Alle varkens moeten over geschikt voeder kunnen beschikken in passende hoeveelheid. Ze moeten tenminste eenmaal daags gevoederd worden. Varkens die in groep gehouden worden moeten, behalve bij " ad libitum " voedering of bij voedering via een automatisch voedersysteem, allemaal tegelijk kunnen eten.
§ 2. Varkens ouder dan twee weken moeten over voldoende vers water beschikken.

Art. 15. § 1. Het in groepen plaatsen van varkens moet zo spoedig mogelijk na het spenen gebeuren. De varkens moeten in stabiele groepen gehouden worden waarbij toevoeging van andere varkens zo veel mogelijk vermeden wordt.
§ 2. Bij groepshuisvesting moeten maatregelen genomen worden om van het normale gedrag afwijkende gevechten te voorkomen. Varkens die zich voortdurend agressief gedragen ten opzichte van andere dieren, of die slachtoffer zijn van dat agressief gedrag moeten uit de groep verwijderd worden.
§ 3. Naast de maatregelen die normaal worden getroffen om staartbijten of andere gedragstoornissen te voorkomen en de dieren in staat te stellen aan hun specifieke gedragsneigingen toe te geven, moet er gezorgd worden voor stro, andere soortgelijke materialen of voorwerpen voor alle varkens, de omgeving en de varkensdichtheid in aanmerking genomen.

Art. 16. § 1. Het geluidsniveau in de stallen moet tot een minimum beperkt worden en bruuske geluiden moeten vermeden worden.
§ 2. Lokalen, hokken, uitrusting en gereedschap voor varkens moeten op passende wijze worden gereinigd en ontsmet ten einde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen. Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voeder moeten zo dikwijls mogelijk worden verwijderd om stank te weren en geen vliegen of knaagdieren te lokken.
§ 3. Het opvangen, opslaan en behandelen van de mest op de bedrijven moet op zodanige manier gebeuren dat de varkens niet blootgesteld worden aan gassen zoals ammoniak, koolzuur, H2S en CO in concentraties die schadelijk zijn voor hun gezondheid.

Last update: 01/11/2006