Belgische wetgeving > KB Uitrustingsvoorwaarden

Merk op in volgend KB: Voor kleine "varkensbedrijven" met ten hoogste 3 varkens die niet gebruikt worden voor de kweek is een soepelere regeling voorzien (Art. 2, §2).

Koninklijk besluit tot bepaling van de uitrustingsvoorwaarden voor het houden van varkens
14.06.1993 (B.S. 02.07.1993)


Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° Minister: de Minister tot wiens bevoegdheid de Landbouw behoort.
2° Dienst: de Diergeneeskundige Dienst van het Ministerie van Landbouw.
3° Varken: elk dier behorende tot de familie " suidae ".
4° Verantwoordelijke: de eigenaar of de houder die gewoonlijk over de varkens een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent.
5° Bedrijf: elk gebouw of complex van gebouwen, erin begrepen de erbij horende terreinen, die samen op sanitair gebied een geheel vormen, waar varkens worden gehouden of dat daartoe bestemd is.

Art. 2. § 1. Een bedrijf moet voldoen aan de volgende uitrustingsvoorwaarden:
1° beschikken over een verharde, reinigbare, laad- en losplaats voor varkens, door de Dienst goedgekeurd wat de ligging en de inrichting ervan betreft;
2° beschikken over een afzonderlijke plaats voor het bewaren van krengen, door de Dienst goedgekeurd wat de ligging en de inrichting ervan betreft;
3° beschikken over een omkleedlokaal, afgesloten van de stalruimte en van de woongedeelten en voorzien van een wasbak met stromend water en een bak voor het reinigen en ontsmetten van laarzen. Aan de ingang en de uitgang van dit lokaal moet zich een voetbad gevuld met een ontsmettingsmiddel bevinden;
4° beschikken over een voorraad van een door de Dienst toegelaten ontsmettingsmiddel;
5° beschikken over materieel om voertuigen en de krengenbewaarplaats te reinigen en te ontsmetten.
§ 2. In afwijking van § 1, moet een bedrijf waar ten hoogste drie varkens worden gehouden voor de vetmesting, waar de varkens worden aangevoerd met eigen vervoermiddelen en waar geen varkens of producten ervan worden verkocht of afgevoerd, alleen beschikken over:
1° een voorraad van een door de Dienst toegelaten ontsmettingsmiddel;
2° materieel om voertuigen te reinigen en te ontsmetten.

Art. 3. § 1. Voor bedrijven die voldoen aan de bepalingen van artikel 2, wordt door het provinciaal college bedoeld bij artikel 4, § 3, een attest verleend. Het model van het attest wordt in bijlage I bij dit besluit gevoegd.
§ 2. Elke verantwoordelijke is ertoe gehouden om bij de burgemeester van de gemeente waar de uitbatingszetel van het bedrijf gelegen is, een aanvraag in te dienen tot het verkrijgen van het attest bedoeld in § 1. Het model van de aanvraag wordt in bijlage II bij dit besluit gevoegd. Verantwoordelijken die een bedrijf opstarten of ingrijpende veranderingen in het bedrijf aanbrengen, zijn ertoe gehouden om voorafgaandelijk een soortgelijke aanvraag in te dienen tot het bekomen van een attest, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.

Art. 4. § 1. De burgemeester van de gemeente maakt de ingediende aanvragen over aan het erkend Verbond tot bestrijding van dierenziekten. Hij deelt de lijst van verantwoordelijken die vóór 31 maart 1993 geen aanvraag hebben ingediend voor een bestaand bedrijf, mee aan de Dienst.
Hij deelt jaarlijks de lijst van verantwoordelijken die na de hierboven bedoelde datum een bedrijf opstarten of ingrijpende veranderingen in het bedrijf aanbrengen en die voorafgaandelijk geen aanvraag hebben ingediend, mee aan de Dienst.
§ 2. De Dienst duidt per gemeente een aangenomen dierenarts aan. Hij gaat na of de bedrijven voldoen aan de bepalingen van artikel 2 en of de inlichtingen vermeld op het aanvraagformulier overeenstemmen met de toestand in het bedrijf. Hij brengt verslag uit bij het provinciaal college.
§ 3. Per provincie wordt een college ingesteld. Dit college bestaat uit de inspecteurs-dierenartsen van de Dienst en de ingenieurs van de Dienst. Landbouwtechniek bevoegd in de betrokken provincie. Het college beoordeelt de aanvragen op basis van het verslag van de in § 2 bedoelde dierenarts. Het levert een attest af voor bedrijven die voldoen aan de bepalingen van artikel 2 van dit besluit. Bedrijven die na een eerste aanvraag niet voldoen aan de bepalingen van artikel 2 worden hierover per aangetekend schrijven ingelicht. Verantwoordelijken van deze bedrijven dienen binnen de dertig dagen na ontvangst een nieuwe aanvraag in.
§ 4. De erkende Verbonden tot bestrijding van dierenziekten staan het college bij in de administratieve opvolging van de dossiers, met name door het bijhouden van de aanvragen en de dubbels van de attesten, door het bijhouden van registers en door het toezenden van de afgeleverde attesten, aan de gemeenten.

Art. 5. Aan de erkende Verbonden tot bestrijding van dierenziekten wordt, ten laste van het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, een forfaitaire vergoeding van F 50 per ingediende aanvraag toegekend, voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 4, § 4.
Er wordt aan de dierenarts, bedoeld in artikel 4, § 2, ten laste van het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren een forfaitaire vergoeding per bedrijfsbezoek toegekend, ten bedrage van:
1° F 100 voor bedrijven gelegen in de provincies West- en Oost-Vlaanderen;
2° F 300 voor bedrijven gelegen in de provincies Namen en Luxemburg;
3° F 200 voor bedrijven gelegen in de overige provincies.
De verantwoordelijke is aan deze dierenarts een ereloon van F 750 verschuldigd voor het bedrijfsbezoek bedoeld in artikel 4, § 2.

Art. 6. Een verantwoordelijke voor wiens bedrijf geen attest is afgeleverd of wiens bedrijf sedert de afgifte van het attest ingrijpend werd gewijzigd, verliest elk recht op de vergoeding bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

Art. 7. Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en gestraft overeenkomstig de bepalingen van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

Art. 8. § 1. De aanvragen ingediend en de attesten verleend in toepassing van artikel 1, § 3, van het ministerieel besluit van 6 september 1990 gewijzigd bij ministerieel besluit van 6 december 1990, houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de klassieke varkenspest, gelden als aanvraag een attest bedoeld in dit besluit.
§ 2. Artikel 1, § 3, van het voormelde ministerieel besluit van 6 september 1990, wordt opgeheven.

Art. 9. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Landbouw zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

 

Bijlage I

SANITAIR ATTEST.
Nog niet beschikbaar; zie B.S. 02.07.1993, p. 15845.


Bijlage II

AANVRAAG VOOR HET BEKOMEN VAN EEN ATTEST VOOR HET HOUDEN VAN VARKENS.
Nog niet beschikbaar; zie B.S. 02.07.1993, p. 15847-15848

Last update: 01/11/2006