Nederlandse wetgeving > Varkensbesluit >
     Houden en huisvesten

Artikel 2
1.
Het houden van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen 2a, 2b, eerste lid, en 3 van dit besluit en hoofdstuk II, onder IV, van de bijlage.

2. Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van dit besluit en hoofdstuk I, de punten 1 tot en met 3, 4, derde zin, 5, 6, derde zin, 8, 9, tweede en laatste zin, 11, 13, laatste zin, 14 en 15 voor zover betreffend het ontwerpen, bouwen en plaatsen van voeder- en drinkinstallaties, hoofdstuk II, onder I, onder II, de punten 2 tot en met 4, en onder III, de punten 1 en 2, van de bijlage.

Artikel 2a
1.
Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.

2. In zoverre in afwijking van het in hoofdstuk II, onder IV, laatste zin, van de bijlage bepaalde, worden aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens geen varkens toegevoegd.

3. Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd.

4. Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens.

Artikel 2b
1.
In afwijking van artikel 2a, eerste lid, is het toegestaan een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden.

2. Voorts is het in afwijking van artikel 2a, eerste lid, toegestaan een gelt of zeug individueel te houden:

a. vanaf één week vóór het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen, en

b. vanaf twee dagen voorafgaand aan de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie. 

3. Onverminderd het overigens in punt 7, tweede zin, van hoofdstuk I van de bijlage bepaalde, is het toegestaan gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de tijdspanne die nodig is:

a. voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;
b. ten behoeve van drachtigheidsonderzoek of het collecteren van sperma;
c. voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;
d. voor voeropname, of
e. om de stal te reinigen.

Artikel 2c

1. Met het oog op de uitvoering van de artikelen 2a en 2b wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Produktschap voor Vee en Vlees.

2. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het bij verordening stellen van regels.

3. De krachtens de in het tweede lid bij verordening vastgestelde voorschriften en genomen besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

4. Onze Minister kan met betrekking tot het verlenen van de in het eerste lid bedoelde medewerking beleidsregels stellen.

5. De in het tweede bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op de instelling van de plicht tot identificatie van varkens, de registratie daarvan, alsmede op de melding daarvan aan een daarbij aan te wijzen instantie.

Artikel 3
Met ingang van 1 januari 1996 worden zeugen en gelten niet aangebonden gehouden.

Artikel 4

1. De beschikbare oppervlakte van een stal bedraagt voor gelten of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, tenminste per gelt of zeug 2,25 m2.

2. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 30 kg: 0,4 m2;
b. van 30 tot 50 kg: 0,6 m2;
c. van 50 tot 85 kg: 0,8 m2;
d. van 85 tot en met 110 kg: 1,0 m2;
e. van meer dan 110 kg: 1,3 m2

Artikel 4a
Onverminderd het in hoofdstuk II, onder I, van de bijlage bepaalde, bedraagt in een stal bestemd voor een beer, de voor de beer beschikbare oppervlakte tenminste:

a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2;
b. voor een beer van 12 maanden of ouder en jonger dan 18 maanden: 5 m2;
c. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 7 m2.

Artikel 5

1. Onverminderd punt 11 van hoofdstuk I van de bijlage bestaat de voor de varkens beschikbare vloer van een stal niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer bestemd is voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton.

2. Indien de vloer van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer tenminste per gelt of zeug 1,3 m2.

3. Indien de vloer van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 30 kg: 0,12 m2;
b. van 30 tot 50 kg: 0,20 m2;
c. van 50 tot 85 kg: 0,25 m2;
d. van 85 tot en met 110 kg: 0,30 m2;
e. van meer dan 110 kg: 0,40 m2.

4. Indien de vloer van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 30 kg: 0,24 m2;
b. van 30 tot 50 kg: 0,35 m2;
c. van 50 tot 85 kg: 0,45 m2;
d. van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m2;
e. van meer dan 110 kg: 0,75 m2.  

5. Indien de vloer van de in artikel 4a, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer tenminste twee derden van de totale vloeroppervlakte.

6. In een stal, bestemd voor één of meer zogende zeugen met biggen, beschikken de biggen over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m2 per toom biggen bedraagt.

Artikel 6
Een vloer of een gedeelte daarvan, voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien:

a. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en
b. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt. 

Artikel 7
Onverminderd artikel 3 en punt 8 van hoofdstuk I van de bijlage heeft in een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen aangebonden of in voerligboxen worden gehouden elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van tenminste 2 meter.

Artikel 8

1. Onverminderd punt 11 van hoofdstuk I van de bijlage is de spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt deze bij stallen bestemd voor:

a. zeugen zonder biggen: ten hoogste 20 mm;
b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;
c. gespeende varkens: ten hoogste 15 mm;
d. gebruiksvarkens: ten hoogste 20 mm.

2. Onverminderd het eerste lid voldoen betonroostervloeren aan de Nederlandse normen, bedoeld in NEN-normen nr. 3873 betreffende roostervloeren van gewapend beton voor stalgebouwen, zoals uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut in februari 1989.

Artikel 9
Onverminderd hoofdstuk I, punt 16, alsmede hoofdstuk II, onder I, onder II, punt 2, en onder III, punt 1, van de bijlage is het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen voorzien van strooisel bestaande uit stro, hooi, houtkrullen, zaagsel, compost, turf of een mengsel daarvan, dan wel, in geval van een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat.

Artikel 10
Van voldoende daglicht of kunstlicht als bedoeld in punt 5 van hoofdstuk I van de bijlage is sprake indien de verlichting in de stal verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 12 lux bedraagt.

Artikel 11
Onverminderd punt 13 van hoofdstuk I van de bijlage bedraagt de lengte van de rechte trog tenminste 0,30 m per geslachtsrijp varken indien de varkens worden gehouden in groepen die niet ad libitum of door middel van een automatisch voedersysteem worden gevoederd.

Last update: 01/11/2006